Categorieën
Nieuws en publicaties Publicaties

‘Waarom de Coronaregels op school niet werken’

Een aanpak waardoor leerlingen wel gemotiveerd meedoen

We zitten over de top van de tweede golf, maar het dalen stokt. Gekke taal, maar iedereen weet waar ik het over heb. Met name middelbare scholen zouden brandhaarden zijn voor verspreiding. Op radio NPO1 hoor ik mensen reageren op de vraag  of je van leerlingen kan of mag verwachten dat zij zich houden aan de (strengere) regels. Uit de reacties maak ik op dat er weinig begrip is voor de ‘asociale’ jongeren. Ze zouden zich verantwoordelijker moeten gedragen. Als ze weten dat ze het virus kunnen overdragen op hun ouders en kwetsbare grootouders, dan zou het toch vanzelfsprekend moeten zijn dat ze zich daarnaar gedragen. Niet dus. En dus ligt de bal bij de jongeren. Het oordeel is geveld.  “Denken is zo buitengewoon moeilijk, dat velen de voorkeur geven aan oordelen” (Otto Weiss). Het zou zo veel slimmer, socialer en effectiever zijn als we niet oordelen, maar proberen te begrijpen waarom jongeren het moeilijk vinden om zich aan de regels te houden. Dan opent zich de weg om zelf de bal op te pakken vanuit de vraag: wat kunnen wij doen om jongeren zich ook echt medeverantwoordelijk te laten voelen?

Het is een vraag die uiteraard verder draagt dan COVID19. Er zijn veel dingen in het leven die je doet, ondanks dat je iets anders liever doet. Zo ga ik liever naar een feestje, dan dat ik een blog schrijf. Ik kijk liever een gave film, dan dat ik de vloer dweil. Ik draai me ‘s morgens liever nog een keer om, dan dat ik aan het werk ga, enzovoorts. Betekent dat ik dan niet (intrinsiek) te motiveren ben voor de dingen die minder mijn voorkeur hebben? Ik denk het wel. Ook de dingen die ik minder leuk vind, heb ik leren doen met een zekere motivatie. Ieder mens heeft andere voorkeuren en doet sommige dingen graag en andere dingen minder graag. De uitdaging is om ook die dingen die je minder graag doet, met voldoende motivatie te doen. En dat vraagt aandacht, zeker op een school. 

Laten we even aannemen dat VO-leerlingen in de pauze op school het liefst gezellig zonder mondkapje bij een medeleerling staan. De regel om afstand te houden en een mondkapje te dragen stuit vanzelfsprekend op een zekere weerstand. Dat wordt versterkt door de bestraffende reactie in de samenleving: “je houdt je niet aan de regels en brengt daarom schade toe!”. De scholen die te weinig doen aan handhaving, krijgen het verwijt te slap beleid te voeren. Strengheid is geboden. Als scholen daar dan schoorvoetend aan toegeven, dan bestaat het risico dat zij een sturende en corrigerende stijl hanteren: doe maar beter wat er gezegd wordt, anders zwaait er wat. Niet écht motiverend, zullen we maar zeggen. Of beter, een gemiste kans.

De benadering vanuit de Zelf-Determinatietheorie zou een groter en beter effect gehad hebben. Om te beginnen door leerlingen niet te benaderen als veroorzakers van het probleem, maar als deelnemers van het proces dat leidt naar de oplossing. Hoe zou een programma op een standaard VO-school met een jaarklassensysteem er uit hebben kunnen zien? Ik heb een globale opzet gemaakt waar allerlei varianten op mogelijk zijn. Het belangrijkste is dat de lessen van ZDT worden toegepast.

  1. Adresseer het onderwerp als iets dat de hele school aangaat en dat daarom de hele school gevraagd wordt een dialoog te voeren over de best mogelijke aanpak.
  2. Maak als schooldirectie een uitnodiging om gesprekken te voeren in alle klassen over dit onderwerp. In welke lessen dat het beste kan, is afhankelijk van de school. Formuleer heldere verwachtingen met de volgende strekking: “Wij staan voor de uitdaging om verspreiding van het virus te voorkomen. Er is landelijk beleid, waarbinnen wij onze eigen vorm moeten vinden. We willen met jullie ontdekken hoe we dat zo goed mogelijk kunnen doen bij ons op school? Wij hebben er alle vertrouwen in dat we dat met jullie betrokkenheid goed op onze school kunnen organiseren.”
  3. Heb in de klassengesprekken aandacht voor eigen ervaringen van leerlingen met Corona, zodat het onderwerp meer betekenisvol wordt. Anticipeer op emotioneel belastende situaties en zorg voor een sfeer waarin leerlingen steun en troost ervaren als die zich voordoen. Verwelkom ieder perspectief en benadruk op een gegeven moment hoe belangrijk het is om ondanks vele meningsverschillen te komen tot iets waar we samen achter staan. Nodig alle kinderen uit om bij te dragen en geef ruimte aan het ritme dat er ontstaat. Geef procesgerichte feedback die aanmoedigt. Ga met de klas na of er nog meer informatie of kennis verzameld moet worden. Maak afspraken over hoe dat gebeurt. Kom er in de volgende les op terug.
  4. Ga in de volgende les zoeken naar meer definitieve aanpakken. Geef ruimte aan luchtigheid, humor. Formuleer in iedere klas maximaal vijf adviezen, waarbij ook aandacht is voor ‘wat doen we als onze aandacht verslapt?’
  5. Vraag de leerlingenraad om alle adviezen uit de klassen tot een gezamenlijke aanpak te komen. Laat iedere klas zien dat er wat van de eigen adviezen te herkennen is in de gezamenlijke aanpak. Bied de leerlingenraad steun aan voor het vele werk.
  6. Geef extra aandacht aan het resultaat en aan de kracht van de gezamenlijke arbeid.
  7. Ben beschikbaar voor het opvolgende proces. Als er toch weer terugval is, moet je er als school weer staan vanuit dezelfde benadering: “wij ondersteunen jullie autonomie in het denken over de best mogelijke oplossing voor de school”.

Natuurlijk kost dit tijd en aandacht, maar de kans is groot dat leerlingen zich meer mede-eigenaar voelen van het beleid en meer verbonden zijn met de school. Ze zijn meer gemotiveerd voor iets waar ze eigenlijk niet zoveel zin in hebben. In het vervolg is er minder tijd en aandacht voor handhaving nodig en het levert een veel beter gevoel op. Beter laat dan nooit.

– –

N.B. Mocht je na het lezen van deze blog toch nog geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie, laat het mij dan even weten. ?

Categorieën
Publicaties

‘Bouwstenen voor groei’

Over hoe fout de training was die ik gaf

Vorige week gaf ik een online training ‘Zin in Leren’ aan 11 jonge leerkrachten van 6 verschillende scholen. We hadden er anderhalf uur voor. Dat viel tegen. Ik kwam op een ongemakkelijk manier in de rol van ‘de expert’ terecht. De expert waar zij van zouden gaan leren. Maar ZIJ waren en zijn in mijn beleving net zo goed experts, namelijk de experts van de ‘iedere-dag-weer-praktijk’. En ik ben meer – laten we zeggen – de expert van de theorie. In mijn beeld zou zo’n bijeenkomst een uitwisseling van deze expertises moeten zijn, waarin ik zaken aanreik die hen kunnen ondersteunen in hun eigen autonome lerarenpraktijk. Andersom leren zij mij hoe oneindig complex de dagelijkse werkelijkheid kan zijn. In de uitwisseling ontstaat in een ideale situatie de opwinding van nieuwe inzichten. Nieuwe ideeën om dingen nét iets anders te doen, waardoor het morgen misschien nét iets beter gaat. Maar in mijn beperkte observatie via het scherm zag ik slechts bij twee mensen de ogen glimmen van opwinding. Bij de overige deelnemers kon ik dat in ieder geval niet ontdekken.
Ik ga deze onbevredigende ‘klassensituatie’ vertalen naar de lessen die ik van ‘Vitamines voor Groei’ en de Zelf-Determinatie-Theorie geleerd heb en mijzelf er eens van langs geven; een milde zelfkastijding is wel op zijn plaats.


De basisstelling van de ZDT is dat leerlingen beter gedijen in een behoefte-ondersteunend leerklimaat. Ze worden er sociaal emotioneel beter van, ontwikkelen cognitief sneller, functioneren moreel beter, maken een soepelere identiteitsontwikkeling door, zitten beter in hun vel, hebben meer zelfvertrouwen, eigenwaarde en algemeen welbevinden. Zo, dat moge maar duidelijk zijn. Maar nu mijn ‘les’ als voorbeeld voor hoe je het ook fout kan doen. Ik ga in op de drie bouwstenen voor groei: het bieden van autonomie-ondersteuning, van structuur en van relationele steun.
Autonomie-ondersteuning De uitdaging is om autonomie-ondersteunend les te geven. Daarbij is het kind het vertrekpunt! Ieder jaar weer zitten er – laten we zeggen – 25 leerlingen in de klas die allemaal verschillende beginpunten zijn voor jou als leraar. In het VO heb je er soms 250 verdeeld over ongeveer 10 klassen. Je uitdaging is ook dan om aan te sluiten op hun belevingswereld en eigen initiatief aan te moedigen. Je zoekt met hen naar een verbinding tussen hun belevingen en de uitdagingen van het vak of onderwerp dat je doceert. Er ontstaat ruimte voor vrijwillig handelen, denken en voelen. Zo neem je kinderen volledig serieus en aanvaardt hun wensen, ideeën, zorgen en klachten. Als het rommelt in de klas, dan geeft je daar aandacht aan om er samen uit te komen. Daarmee stimuleer je hun autonomie om gezamenlijk problemen op te lossen. Als leraar vraagt dit dat je echt nieuwsgierig bent om te begrijpen en dat ook in de klas te stimuleren.


In mijn geval maakte ik amper contact met mijn ‘leerlingen’. Ik had geen idee wat voor dag zij achter de rug hadden. Ik deed wel een kennismakingsronde waarin zij iets moois vertelden over wat ze die dag hadden meegemaakt, maar als ik echt aansluiting had gemaakt, had ik hun gevraagd hoe ze erbij zaten, waar ze behoeften aan hadden en had ik mijn ‘les’ daar op aangepast. Ik had met mijn kennis meer verbinding kunnen leggen tussen hun belevingen en mijn ‘theorie’? Niet gedaan dus. Mijn aanbod stond centraal.


Het bieden van structuur De uitdaging is om structurerend les te geven. Het vertrekpunt daarbij is dat je als leraar zicht hebt op en vertrouwen hebt in de talenten en vaardigheden van kinderen. Bij structurerend lesgeven formuleer je verwachtingen en bied je steun, beiden afgestemd op de vaardigheden en het niveau van het kind. Je biedt vertrouwen, volgt het proces, stimuleert en moedigt aan met feedback. Tenslotte help je leerlingen zelfinzicht te verwerven in wat goed ging en wat nog aandacht nodig heeft. Dat is zeker niet eenvoudig met 25 leerlingen, maar het omarmen van deze ambitie van structurerend lesgeven maakt al dat je er meer op gericht bent om iedere leerling te leren kennen en daarop afgestemd leerlingen aan uitdagingen te laten werken.


Ik had in mijn ‘klassensituatie’ zo goed als geen voorkennis van hun startsituatie, laat staan dat ik aan kon sluiten op hun vaardigheden en niveau. Ik heb hen wel een aantal vragen voorgelegd om de zelfreflectie te versterken, zoals “denk je dat je de kinderen in de klas kent?” en “vind je jezelf een lerende opstelling hebben?” Ik moest op afstand vertrouwen op hun zelfinzicht en zelflerend vermogen om hier wat aan te hebben.
Het bieden van relationele steun Voor het bieden van relationele steun is de kennis die je van de kinderen hebt heel belangrijk. Het is belangrijk dat je er bent, zowel geestelijk als fysiek. Het is nodig dat je anticipeert op mogelijk emotioneel geladen situaties en biedt steun en troost als deze zich (toch) voordoen. Je hebt een vriendelijke, open, responsieve en warme houding en laat merken dat je graag samen met een individueel kind of de klas leuke dingen doet.


Nou, ik geloof dat ik me op digitale afstand in ieder geval enigszins open en vriendelijk heb opgesteld, maar het bieden van relationele steun is totaal niet aan de orde geweest.

Een foute training? Wat heb ik hier nu van geleerd? Ik moet niet zomaar zo’n training gaan geven zonder dat ik systematisch heb nagedacht over de toepasbaarheid van deze drie bouwstenen. Natuurlijk ben ik beperkt in mogelijkheden met 10 onbekenden in een online-situatie van anderhalf uur. Maar ik kan veel meer doen. Een volgende keer zal ik hen enkele dagen van te voren vragen om een paar vragen voor mij te beantwoorden over…

  • wie zij zijn: paar basisgegevens plus bijv. hun fascinatie voor het leraarschap;
  • hoe ze zich voelen als nieuwe juf of meester;
  • welke vragen zij hebben over het stimuleren van Zin in Leren in de klas. Waar ze goed in zijn, wat ze moeilijk vinden? Wat ze graag zouden willen leren? Eventueel kan ik dat categoriseren naar vragen voor de drie bouwstenen;
  • hun kennis van de kinderen in de klas (daar heb ik wel naar gevraagd, maar dat kan beter).

Met die informatie kan ik tijdens het voorstelrondje beter aansluiten op wie zij zijn en op hun energie van vandaag. Vervolgens kan ik dan de training toespitsen op de vragen die ze gemeen hebben en ruimte bieden voor individuele vragen. Daar kan ik korte opdrachten aan koppelen en stimuleren dat ze elkaar bemoedigende feedback geven bij de terugkoppeling. In anderhalf uur ga ik dan vast veel meer stappen maken. Ik verheug me stiekem al op de volgende keer. Fouten maken is echt leuk .

N.B. Mocht je na het lezen van deze blog toch nog geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie, laat het mij dan even weten.

Categorieën
Publicaties

Over de intrinsieke en extrinsieke oriëntatie van je identiteit

Zoals veel mensen, heb ook ik de Amerikaanse verkiezingen vrij nauwgezet gevolgd. Ik heb mij bij herhaling afgevraagd waarom een man als Trump zoveel mensen aantrekt. Hij toont immers op allerlei manieren dat hij vooral geïnteresseerd is in zijn eigen belang. Hij is een vrij uitbundig voorbeeld van jezelf voorop stellen. Ik eerst, mijn groep eerst, mijn bedrijven eerst en dan pas ‘America first’. Zorg dat je wint; als je verliest, ben je een ‘loser’. Als antropoloog vind ik dat ik zo’n fenomeen moet willen begrijpen vanuit de historische context, de cultuur van het land. Voor Amerika komen dan gedachten op van een relatief jonge natie, waar nog niet zo lang mensen land koloniseerden door anderen weg te jagen. Het recht van de sterksten prevaleert,  zo nodig afgedwongen met een geweer. De concurrentie en het leven is hard. Het is zaak dat je wint en vervolgens voorkomt dat je overwonnen wordt. Er is zeker in de jonge jaren van Amerika geen staat die voor je zorgt. De staat wordt eerder geassocieerd met een vrijheidsbeperkend instituut. Geld, bezit,  aangevuld met wapens helpen om jezelf en je eigen groep veilig stellen. Dat waren en dat zijn nog steeds belangrijke waarden: presteren, het recht van de sterkste of de slimste, het ‘the-winner-takes-all-principe’, welvarend zijn. De film ‘Django Unchained’ van Tarantino laat een extreem beeld hiervan zien met slavernij en veel geweld. Trump kan als een eigentijdse variant getypeerd worden van dit historisch beeld. Zo beschouwd is het misschien minder vreemd dat zoveel mensen op hem stemmen. Deze kort-door-de-bocht-analyse gebruik ik als aanloopje om aan het proces van identiteitsvorming op onze scholen een laatste blog te wijden.

Je zou kunnen zeggen dat dit Amerikaanse voorbeeld vooral wijst op extrinsieke waarden. Bij extrinsieke waarden passen behalve rijkdom en macht, ook het schoonheidsideaal, populariteit, jezelf neerzetten als succesvol mens. De vergelijking speelt een belangrijke rol: je bent iemand ten opzichte van anderen. In ‘Vitamines voor groei’ lees ik: “aangemoedigd door de reclame-industrie die een zeer beloftevol beeld ophangt van extrinsieke doelen, overschatten velen echter de positieve effecten van het realiseren van deze extrinsieke aspiraties (p. 391). Bovendien zijn er natuurlijk veel meer mensen die helemaal niet kunnen en zullen voldoen aan deze idealen. Vanuit de Zelfdeterminatietheorie gezien, spelen deze extrinsieke waarden weinig in op de psychologische behoeften autonomie, competentie en relatie.  We zijn voor daarvoor immers eerst en vooral afhankelijk van de reactie van anderen.

Maar gelukkig, je voelt hem al aankomen, zijn er ook intrinsieke waarden en die blijken meer bij te dragen aan geluk. Mensen die intrinsieke waarden hoog hebben zitten, leggen meer de nadruk op het inzetten en ontwikkelen van het eigen potentieel, op gezond en fit zijn, op een bijdrage leveren aan de samenleving en op goede en hechte relaties met familie en vrienden. Zo beschouwd, permitteert de ZDT zich feitelijk het oordeel dat sommigen waarden ‘waardenvoller’ zijn dan anderen. De wetenschappelijk onderbouwde stellingname van de ZDT stelt dat het vervullen van de psychologische basisbehoeften van ieder mens – autonomie, competentie en relatie – bijdraagt aan zelfvertrouwen en welzijn. De mensvisie die daarachter schuilgaat is dat ieder mens een fundamentele neiging tot groei heeft; een groei die in de loop van het leven leidt tot meer geïntegreerd functioneren, waarin ‘zijn’, opvattingen en gedrag meer in evenwicht met elkaar raken. Daar volgt dan ook een vrij expliciet advies uit dat we er goed aan doen kinderen te stimuleren om te ontdekken wat er voor hen ECHT toe doet. Wat zijn voor hen waarden die hen fundamenteel gelukkiger maken? En dat is nog niet gemakkelijk voor een kind dat ’s morgens bij het wakker worden als eerste checkt of de post op Instagram genoeg likes heeft opgeleverd. 

Het is de moeite waard om op school aandacht aan dit verschijnsel te besteden. Persoonlijke ontwikkeling is immers cruciaal. De schrijvers van ‘Vitamines voor groei’ halen Erich Fromm aan die in 1976 het boek ‘To have or te be’ schreef en de rol die de industriële revolutie heeft gespeeld in het waarderen van een ‘hebben-oriëntatie’. Niet-hebben wordt geassocieerd met falen. Leerlingen vandaag de dag die een hebben-oriëntatie hebben, zijn er meer op gericht om beter te scoren dan hun medeleerlingen, maar vertonen ook meer faalangst. Ze willen zich in diverse levenssferen onderscheiden van de anderen, maar voelen zich onzeker of ze in dat doel zullen slagen. Het verhoogt de stress, mede omdat het voeding geeft aan meer concurrentie en wantrouwen. Meer investeren in extrinsieke waarden, zorgt voor vervreemding van waarden die dichter op de organische groeitendens aansluiten. Het ambiëren van intrinsieke waarden heeft daarentegen gunstige effecten, niet alleen bij adolescenten, maar ook al bij kinderen tussen 8 en 11 jaar. Het versterkt de solidariteit, mededogen, begrip voor elkaar en de eigen natuurlijke groei.

Ik kijk wel eens naar de serie ‘Suits’, waar goed geklede advocaten jaloersmakend scherp zijn en anderen de loef afsteken. Geld rolt volop en bepaalt het succes van het kantoor. Uit wetenschappelijk onderzoek in het echte leven blijkt echter dat advocaten die ‘service jobs’ bekleden meer levenstevredenheid rapporteren dan advocaten met ‘money jobs’. Het valt me ook op dat de jongere advocaat Mike in de serie regelmatig kiest voor de mensenkant. Dit wordt door de makers bewust als een hogere waarde gepresenteerd. Kinderen zien en voelen dat ook. Als ze naar een verjaardag gaan en de jarige pronkt met zijn cadeaus of de jarige toont zijn blijdschap dat er zoveel mensen aandacht aan hem geven, dan roept de laatste meer sympathie op. Dit zijn interessante aangrijpingspunten om het gesprek over waarden te voeren met leerlingen. Of misschien wel eens een dialoog te starten over het waarom van het gedrag van Trump, gekoppeld aan de vraag wat gelukkig maakt en wat de samenleving helpt. Worden vast interessante gesprekken.

De volgende keer ga ik in op ‘de leraar als opvoeder’. Dat sluit wel aan denk ik.

– –

N.B. Mocht je geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie. Laat het mij dan even weten.

Categorieën
Publicaties

‘de school als plek waar je mens wordt’ (2)

Jouw intern kompas dat je richting geeft

Het is een hoopvolle gedachte dat de meeste mensen in de loop van hun leven meer rust vinden met de keuzes die ze gemaakt hebben. Hun identiteit gaat steeds meer samenvallen met wie ze zijn, wat ze kunnen en willen. Het is een langdurig integratieproces waar ik eerder al naar verwees met het proces van ‘worden wie je bent’. Maar stel je nu eens voor dat je een doorsnee opgroeiend kind van bijvoorbeeld 14 jaar bent en in de schoolbanken zit en de leraar allerlei van je verlangt. En daar kan je maar matig interesse voor opbrengen. Je staat nog relatief aan het begin van dat integratieproces en weet nog lang niet waar je leven je zal brengen. Je waardenontwikkeling zit waarschijnlijk vol met tegenstrijdigheden. Je denkt dat je ergens voor staat, maar voelt tegelijkertijd de tegenkracht van je peergroup. Ga je meedoen met een illegaal feestje dat na school gegeven wordt door mensen in jouw groep, ondanks dat Coronaregels dit niet toestaan en jij het daar eigenlijk mee eens bent? Durf je je echt te binden aan je eigen waarden? Of voel je groepsdwang en sta je jezelf geen ruimte toe om naar de gevolgen van je handelen te kijken?  

In de vorige blog schreef ik over de identiteitsontwikkeling aan de hand van de fasen van Erikson. Je kan ze nog eens doorlopen en, afhankelijk van de ervaren positieve of negatieve aandacht, voorspellen welke kinderen meer en welke minder gevoelig zullen zijn voor de druk van anderen. Kinderen die al flinke stappen hebben gemaakt in de ontwikkeling van hun intern kompas zullen die keuze meer onafhankelijk en authentiek maken. Maar wat is die interne kompas dan en kunnen we op school kinderen steunen in de ontwikkeling van een stevig intern kompas?

Je zou kunnen zeggen dat het intern kompas het eindpunt van de gewenste ontwikkeling is. Het intern kompas is een fundament dat bestaat uit authentieke waarden, doelen en interesses die richting en betekenis geven aan de identiteitsontwikkeling en het leven. Het heeft drie functies:

  1. De selectiefunctie helpt je om identiteitsrelevante beslissingen te nemen. Wat voor iemand wil je zijn? Als kind ga je ergens in je ontwikkeling antwoorden geven op deze vraag. Dat is je referentiepunt op basis waarvan je keuzes maakt en beslissingen neemt. Wil je bijvoorbeeld een avonturier zijn die zijn impulsen volgt, een wereldverbeteraar die verantwoord en keuzebewust wil leven of een helper die zorgbehoevende mensen steunt?
  2. De zelfregulatiefunctie gaat over het blijvend vormgeven van die identiteit. Dat kan zijn door de ingeslagen weg te blijven volgen. Het kan ook zijn dat nieuwe ervaringen je bewegen een andere richting te kiezen. Bij zelfregulatie stem je (vaak onbewust) interesses, waarden en doelen op elkaar af. Je kan bijvoorbeeld ontdekken dat het zelfbeeld van avonturier meer van buitenaf dan van binnenuit komt en dat motiveert je om je identiteit anders te gaan vormgeven.
  3. De veerkrachtfunctie helpt je om onder omstandigheden van druk terug te kunnen grijpen op je intern kompas. Je kunt flexibel zijn zonder echt af te wijken van je gemaakte keuzen.

Uiteraard hangt de werking van die functies af van hoe stevig het interne kompas verankerd is. En hoe jonger, hoe groter de kans dat je nog allerlei wegen inslaat. In dit proces maakt je soms halfslachtige en ondoordachte keuzes, maar soms ook authentieke. Vaak weet je dat pas achteraf. Het is een zoektocht waarin je exploreert wat wel en niet bij je past. Als je onder grote druk van je omgeving staat, bijvoorbeeld door verwachtingen van je leeftijdgenoten of je ouders, dan is je zoektocht extrinsiek gemotiveerd en leidt dit tot een instabiel intern kompas, tenzij je de druk kan weerstaan.  Als je zoektocht meer autonoom is, dan zul je ook meer en eerder tot eigen keuzes komen en ontwikkel je een stevig intern kompas. Je gaat dan ook gemakkelijker bindingen aan. Dit zijn twee belangrijke processen voor identiteitsvorming: exploreren en bindingen aangaan. Kinderen die zichzelf openstellen om te exploreren (+) en zich te verbinden (+) met gemaakte keuzen zullen het meest stevig staan. Aan de andere kant zullen er kinderen of adolescenten zijn die moeite hebben met exploreren (-), niet uit de twijfel komen en zich niet verbinden met keuzes (-). In het beste geval zijn ze flexibel, in het slechtste geval raken ze de weg kwijt en vervallen ze in gevoelens van leegheid en zinloosheid. Er zijn natuurlijk ook tussenvormen en varianten hierop.

Het helpt dat wij als volwassenen op scholen zien waar kinderen doorheen gaan en begrijpen waarom zij soms gedrag vertonen dat moeilijk te hanteren is en/of zelfdestructief is. Dat zijn belangrijke signalen om op te vangen. Misschien krijgt het kind te weinig ruimte voor de ontwikkeling van zijn authentiek intern kompas. Wat kunnen wij doen met de Zelf-Determinatie-Theorie in het achterhoofd? Vansteenkiste en Soenens noemen de drie psychologische basisbehoeften de hofleverancier van de broodnodige energie en openheid (pag. 353). Ik laat enkele suggesties passeren:

  1. Stimuleer en ondersteun dat kinderen autonoom hun interesses kunnen ontdekken. Laat ze proeflessen doen, heb interesse voor wat ze buiten schooltijd doen, vraag wat ze op school buiten de lessenstructuur zouden willen doen. Bij mijn begeleiding ‘Zin in Leren’ van basisscholen stimuleer ik dat leerkrachten samen met leerlingen en ouders een portfolio maken waarin allerlei opgenomen is waaruit blijkt waar een kind warm voor loopt, welke kwaliteiten en talenten het heeft. Dat kan toneelspelen of constructies maken zijn, maar ook kan iets als ‘goed luisteren’ of ‘initiatief nemen’ of ‘goed argumenteren’. Hoe vroeger je daarmee begint, hoe meer je daar later aan hebt. Daar valt nog veel te winnen.
  2. Ben er voor kinderen die vastlopen, twijfelen, zich geïsoleerd voelen. Probeer de druk eraf te halen en de voorwaarden te creëren dat ze open kunnen exploreren. Steun ze daarbij door dik en dun. Als jij als begeleider houvast biedt, kunnen zij zich ook beter binden aan keuzes. 
  3. Versterk het gevoel van competentie door te complimenteren, door iedere ‘misser’ of ‘fout’ als een stap voorwaarts te beschouwen. Diskwalificeer het twijfelen niet, maar stimuleer om ‘goed’ te twijfelen door iedere mogelijke keuze goed te doordenken en -voelen.

Als je als kind of adolescent merkt dat je psychologische basisbehoeften bevredigd worden, dan werkt dat als een motor voor de ontwikkeling van het intern kompas. En een stevig intern kompas draagt andersom weer bij aan een verhoogde behoeftebevrediging. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Ik heb van nabij meegemaakt hoe kinderen uit een dal kunnen komen en blijer, gelukkiger met zichzelf worden en coöperatiever met hun omgeving. Daar doen we het toch allemaal voor. Die passende diploma’s komen dan ook wel ?.

– –

N.B. Mocht je geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie. Laat het mij dan even weten.

Categorieën
Publicaties

‘de school als plek waar je mens wordt ’ (1)

Over hoe het zit met identiteitsvorming

Veel scholen onderkennen dat de opdracht van de school meer is dan kennisoverdracht. Ze verwijzen naar de driedeling van Gert Biesta die een onderscheid maakt tussen kwalificering, socialisering en persoonsvorming. Mijn voorzichtige observatie is dat kwalificering hoog bovenaan staat in de expliciete aandacht van de school. De twee krijgen minder uitgesproken aandacht. Ze komen vooral impliciet aan bod in samenwerkingsopdrachten, in de onderlinge omgang tijdens de pauzes, bij buitenschoolse activiteiten, en dergelijke.  Maar onderkennen we dan wel voldoende het belang van socialisering en persoonsvorming ? Het lijkt mij veel zinvoller om het onderwijs zo in te richten dat er volop ruimte bestaat voor, wat ik maar even noem, ‘het worden van een persoon in een sociale omgeving’. Als een opgroeiend kind blij is met zichzelf, vertrouwen voelt, verbinding kan maken van anderen, dan ontstaat er vrijheid en ruimte voor kennisontwikkeling vanuit intrinsieke motivatie. Sjef Drummen maakt hierin een radicale keuze, zoals blijkt uit dit interview met Peter Heerschop (kijk ihb tussen 6.03 en 7.00).

https://www.youtube.com/watch?v=ggf3wtzK8mM

Het is van groot belang dat we hier aandacht aan besteden. Het gaat immers over het creëren van een gezonde basis bij de nieuwe generatie die van invloed is op de manier waarop zij de maatschappij gaan vormen. Daarom ga ik er, geïnspireerd door ‘Vitamines voor groei’ drie blogs over schrijven. In dit blog neem ik jullie even mee in de identiteitspsychologie(1). De keer erna hebben we het over “het waarom van een intern kompas? (2) en tenslotte gaan we in op bedreigingen van buitenaf op een intrinsiek georiënteerd kompas (3).

Een disclaimer vooraf: dit onderwerp is zo groot dat ik me beperk tot een stukje kennis dat ik belangrijk vindt als basis voor de volgende blogs. Ik kom uit bij de identiteitspsychologie van Erik Erikson. Zij theorie is baanbrekend in de manier waarop hij de hele levensloop meeneemt vanuit het besef dat eerdere fasen van invloed zijn op volgende fasen. <Neem even de tijd het figuur op de volgende bladzijde goed te bekijken en lees dan verder hier>

Erikson schetst acht ontwikkelingsfasen die als het ware biologisch in ons verankerd zijn. De mate waarin je die fasen goed doorloopt hangt af van je ‘egosterkte’ en de steun van je sociale omgeving. Als we naar rebellerende kinderen in de klas kijken bijvoorbeeld, dan is het waarschijnlijk dat zij in de peuterleeftijd niet binnen een gestructureerde context stappen hebben kunnen zetten richting zelfstandigheid. Als je in je kleuterleeftijd eigen initiatief afgestraft werd, dan is de kans groot dat je later angst ontwikkelt om tekort te schieten ten opzichte van wat anderen van jou verwachten. In het model van Erikson lopen steeds twee ontwikkelingslijnen door elkaar heen:

  1. een interpersoonlijke lijn: de vorming van vertrouwelijke, intieme en genereuze relaties en
  2. een intra-persoonlijke ontwikkelingslijn: de vorming van een harmonieuze en veilige identiteit.

Die hebben invloed op elkaar en hun onderlinge interactie vormen de motor van identiteitsvorming. Achter deze generieke indeling zit uiteraard een veel complexere werkelijkheid van ieder individu verstopt. Maar voor een school en de leraren helpt zo’n globaal inzicht al om nog beter te beseffen dat achter het (problematisch) gedrag – van bijvoorbeeld pubers – problemen schuilgaan die een andere oorsprong hebben. Daar kan je niet zomaar wat aan veranderen, maar je kan wel vertrouwen geven. Het helpt als je gedrag beter kan plaatsen en er begrip voor kunt opbrengen. Door achter het gedrag van leerlingen te willen kijken, ontstaat een basis voor een veilige relatie. Juist dat is cruciaal voor de ontwikkeling van een intern kompas. Een leerling, net als ieder mens overigens ?, staat voor de uitdaging om een intern kompas te ontwikkelen dat helpt overtuigende identiteitskeuzes te maken en te groeien naar een identiteit die past.  De verbondenheid met de school is dan heel belangrijk als een plek waar je mens wordt, mits die verbondenheid ruimte geeft en stimulerend is.

Maar daar ga ik het de volgende keren over hebben.

Categorieën
Publicaties

‘Is extrinsiek motiveren met straf of beloning fout?’

Over gedragsbeïnvloeding als het even niet lukt

Als ik praat met mensen over het belang om in het onderwijs aan te sluiten op de intrinsieke motivatie van leerlingen, dan wijzen zij mij er vaak op dat kinderen echt niet voor alles te motiveren zijn. Soms zijn er nu eenmaal dingen die moeten. Sommige kinderen houden bijvoorbeeld nu eenmaal niet van rekenen. En dan kan het helpen om ze te belonen als ze hun rekenwerk goed gedaan hebben. Niets mis mee, zo vinden zij. Ook ouders zullen herkennen dat ze in hun opvoedingspraktijk soms een straf of een beloning in het vooruitzicht stellen om het gedrag te beïnvloeden. Ik herken dat zeker wel, als ik denk aan hoe gek ik kon worden van de ruzie op de achterbank tijdens het rijden. Nou, dan had ik even niet de neiging ze intrinsiek te motiveren: “Ophouden of anders…”. Voorwaardelijk opvoeden, heet dat geloof ik. Dat kan negatief: “als je niet doet wat ik wilt, dan zwaait er wat”. En het kan ook in een positieve variant: “als je wel doet wat ik wil, dan krijg je een ijsje”.


Ik zou niet willen zeggen dat extrinsiek motiveren met belonen en straffen per definitie fout is. Het kan hard nodig zijn om direct in te grijpen in een situatie en dan kan deze vorm zeer effectief zijn om gedrag snel te beïnvloeden. Maar het is in het geval van de oorlog op de achterbank ook goed dat mijn kinderen uit zichzelf leren beseffen dat dit gevaarlijk is. Daarom doe ik er goed aan om ze dat regelmatig uit te leggen zodat zij dit via mijn externe motivatie kunnen internaliseren. En het kan ook stimulerend zijn om een beloning te krijgen als iets lukt waar je niet voor gemotiveerd was, zoals voor die rekenopdracht. En het is goed om met de kinderen te ontdekken dat rekenen ook fascinerend kan zijn en/of dat het heel nuttig kan zijn als je kan rekenen. De vorm van extrinsieke motivatie waarbij het specifiek gaat over belonen en straffen heeft ook evidente nadelen. Die motivatie krijgt geen (h)echte verbinding met het gedrag en is daarmee voorwaardelijk van aard: afhankelijk van de beloning.
Er zijn volop redenen om in ons onderwijs steeds te zoeken naar de aansluiting op motivatie van leerlingen die zoveel mogelijk van binnenuit komt. Laat ik er een drie noemen, daarbij uiteraard gebruikmakend van ‘Vitamines voor groei’:

  1. In het algemeen weten we dat mensen, en dus ook leerlingen, oninteressante gedragingen meer vrijwillig uitvoeren naarmate zij zich de gedragsregulatie meer eigen hebben gemaakt (geïnternaliseerd). Dit proces wordt ondersteund door hen te laten ontdekken wat de waarde van dat gedrag is. In een thuissituatie kan je kamer opruimen er bijvoorbeeld toe leiden dat je merkt dat je je spullen beter vindt. Dat motiveert. Je rekensommen goed leren, kan er toe leiden dat je meer tevreden over jezelf bent en beseft dat je steeds competenter wordt. En dat helpt nog meer als je er een probleem mee kunt oplossen dat wel jouw interesse heeft. Je geeft aandacht aan het ‘waarom’.
  2. Kinderen voelen zich serieus genomen als je aandacht toont voor wat zij interessant vinden en als je als leraar zoekt naar een verbinding tussen hun interesses en het onderwerp van de les. De taakvreugde neemt toe en daarmee wordt je meer begeleider van het leerproces van de leerlingen dan een leraar die het zweet op de rug heeft om de kennis er bij de kinderen in te krijgen. Motivatie van binnenuit blijkt bij te dragen aan betere prestaties op diverse
    Omdat motivatie motiveert (5) 2 Ferd van den Eerenbeemt/Inspirezzo
    terreinen. Op Agora-scholen starten leerlingen projecten op eigen initiatief, waar ze vervolgens kennis voor nodig hebben die ze gaan vergaren; volop gemotiveerd.
  3. Het leerplezier neemt dramatisch vormen aan op onze scholen. Ik wist dat van Nederland, maar ook in Vlaanderen vinden leerlingen leren oersaai (de schrijvers van ‘Vitamines voor groei’ zijn Vlamingen). We voeden leerlingen zo onbedoeld op in omgaan met ongemotiveerd zijn. Als je dat 10.000 uren doet, wordt je als leerling een expert in iets wat je niet zou moeten willen. Het is juist de uitdaging van een school om leerlingen steeds beter te laten ontdekken waar hen boeit en fascineert, waar zij graag hun energie vrijwillig in willen steken. Dat gaat niet vanzelf. De school zou dit als uitgangspunt en doel moeten hebben.

Enkele voor de hand liggende redenen dus om hier aandacht aan te besteden. Het valt me op dat steeds meer scholen dit onderwerp ‘motivatie’ ook problematiseren. Ze willen er wat mee omdat ze zien hoe belangrijk het is. Ik heb onlangs Stichting IRIS in de regio Haarlem begeleid met het maken van een strategisch meerjarenplan. Docenten van de scholen waren ‘in the lead’ bij het maken van dit plan; van onderop. Zij kozen ‘motivatie om te leren’ als hoofdthema voor de komende jaren. Dat betekent automatisch dat zij kritisch naar hun onderwijs willen kijken. Ze zullen én meer ruimte én meer begeleiding gaan bieden aan zelfregulatie van leerlingen. Dan worden leerlingen ondersteund in hun autonomie.


Het makers-onderwijs dat in de afgelopen 15 jaar enorm is opgekomen, vind ik een prachtig praktijkvoorbeeld waar je leerlingen betrokken ziet zijn bij hun eigen leerproces en de rol van leraren anders is. Honderd VO-scholen zijn inmiddels Technasium, waarin leerlingen mee eigen regie pakken en ontdekkend leren geïntegreerd is. Op basisscholen zie je leraren meer en meer losser komen van de methode en de strakke leerdoelen. Ze gaan op zoek naar de natuurlijke nieuwsgierigheid en verwondering die kinderen hebben. Dat leidt er ook toe dat er bij de leerlingen meer eigenaarschap ontstaat over normen, regels en gedragingen waar ze zich misschien wat minder vanzelf toe aangetrokken voelen, maar waarvan ze ontdekken dat die helpen om hun eigen doelen te bereiken.

In de komende jaren zullen scholen hier nog meer aandacht aan gaan besteden. Gelukkig maar. De inzichten van de Zelf-Determinatie Theorie en de vertaling daarvan in ‘vitamines voor groei’ helpen daarbij. Een belangrijk inzicht is dat we er beter aan doen op te houden met denken in tegenstellingen tussen extrinsiek en intrinsiek gemotiveerd. Er is eerder sprake van een continuüm van de mate van internalisatie. Ik heb daarom het schema dat ik in mijn vorige blog plaatste nog maar eens opnieuw afgebeeld. Dan zien we dat er velen vormen van extrinsieke motivatie zijn die steeds meer opschuiven richting intrinsieke motivatie. Die hebben allemaal een functie en dat kan per situatie verschillen. Maar onze ambitie is om op te schuiven naar rechts waarbij de motivatie meer van binnenuit komt. Daar liggen de grootste kansen voor de leerlingen en uiteindelijk ook voor de legitimatie van ons onderwijs. Belonen of straffen in het onderwijs is soms goed, maar meestal niet.

N.B. Mocht je geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie. Laat het mij dan even weten.

Categorieën
Publicaties

Willen we wel gehoorzame kinderen in de klas?

Over sociaal gedrag en samen een fijne klas maken

Een van mijn zoons zal deze maand voor het eerst ouder worden. Het zal een meisje zijn. En ik word voor het eerst grootouder. Mooi en wonderlijk om je te realiseren, dat er weer zo’n nieuw leven start. Het universele en tegelijk unieke proces van menswording gaat zich bij haar voltrekken. Ze zal volop leren. Leren ontdekken waar ze in op kan gaan, leren met wie ze zich fijn voelt, leren wat ze in haar mars heeft. Kortom leren wie ze is.  En ze zal ook leren over hoe we een samenleving zijn, wat dat van haar gedrag vraagt en hoe ze haar eigen stempel drukt op die samenleving. Je zou kunnen zeggen dat er grofweg drie opdrachten zijn in haar leven. De eerste opdracht is om zichzelf te ontdekken, de tweede om een sociaal wezen te worden en de derde om die twee goed in balans te brengen. En onderweg daar naartoe zal zij vast wel eens krijsend op de grond in de supermarkt liggen omdat ze haar zin niet krijgt.

In de vorige blogs heb ik het al gehad over de zelfontdekkingstocht en de rol van de drie psychologische basisbehoeften. In deze blog heb ik het over de ontwikkeling van sociaal gedrag en de hoe zich dat ontwikkelt.

Ter introductie, breng ik de taxonomie over motivatie van Ryan & Deci (2017) onder de aandacht. Deze taxonomie is nuttig om te laten zien hoe gedrag van binnenuit of van buitenaf komt. In vogelvlucht loop ik gedrag na dat voortkomt uit diverse oplopende vormen van motivatie. 

Om te beginnen doe je iets NIET, omdat je het doodeenvoudig niet wilt, Je bent ongemotiveerd. Je kan het ook wél doen vanwege de beloning die je krijgt of de straf die je daarmee ontloopt. Dan wordt je gedrag extern gereguleerd. Het zou ook kunnen dat je iets doet omdat je weet dat het zo hoort en je niet wilt dat anderen je afwijzen. Dat heet introjectie. Een stap verder is dat je tot actie overgaat omdat je je er zelf echt beter door voelt. Je identificeert je met het wenselijke gedrag. Het wordt nóg meer van jezelf als je ervaart dat het gedrag overeenkomt met de achterliggende doelen of waarden, die passen bij wie je bent. Dan is sprake van integratie.  Echt ‘intrinsiek gemotiveerd’ is doe je iets als de handeling zelf jou in beweging brengt. Niets en niemand is nodig om jou daartoe te brengen. De motivatie komt van binnenuit.

Kinderen ontwikkelen zich in de eerste jaren vooral onder invloed van de thuisomgeving. En dat zijn belangrijke jaren waar je als leraar geen invloed op hebt. Maar dan blijft er nog zeker ruimte over om de ontwikkeling van besef van sociaal gedrag van iedere leerling en van de leerlingen onderling te beïnvloeden. En bij die beïnvloeding komen alle bovengenoemde vormen voor. Als ik naar mijn eigen basisschool kijk (een jongensschool in Maastricht), was belonen en straffen de dominante strategie van de leraren. Ons gedrag was wat Vansteenkiste en Soenens (op basis van Kochanska) situationele gehoorzaamheid noemen. Als de situatie veranderde en de leraar was er even niet, vielen we terug op ons ‘natuurlijk’ gedrag en gingen we vechten. Bij één meester ging dat echter heel anders. Meester Brakhuizen kwam net van de opleiding en ging het gesprek met ons aan over tal van onderwerpen. Ik herinner me dat we het hadden over de onderlinge omgang, over leuke klassenactiviteiten (die hadden we daarvoor nooit) en over huiswerk op school. In die klas ontstond er een heel andere leersfeer. We maakten met elkaar ‘de regels’ voor de klas en daar hielden we ons ook behoorlijk goed aan. We identificeerden ons met de meester (ik wilde ook zo’n broek als hij had) en we waren trots op onze klas. Vechten deden nog wel, maar dan in de pauze op het plein in een ‘levende ring’ met zelf ontwikkelde regels die we streng bewaakten. De theoretische notie hierachter is dat onze klas zich bij meester Brakhuizen ontwikkelde naar ‘toegewijde gehoorzaamheid’, waarbij het gedrag meer intern gereguleerd werd (introjectie, identificatie, integratie), gestuurd door interne motieven. We ontwikkelden inzichten over eerlijk en oneerlijk, over goed en kwaad en over eervol winnen en verliezen.

Toegewijde gehoorzaamheid kunnen we beschouwen als voorloper van moreel gedrag. Daarbij is het ‘waarom’ van het te vertonen gedrag een belangrijk punt van aandacht. Leerlingen actief betrekken in het proces om samen een klas te zijn, leidt er toe dat afspraken meer van binnenuit komen en afwijkingen ook meer zelf opgelost worden. Uit de onderzoeken die in ‘Vitamines voor groei’ aangehaald worden, blijkt dat de begeleiding van kinderen op een jonge leeftijd naar toegewijde gehoorzaamheid veel effect heeft op moreel gedrag in latere fasen van het leven.

Als we mijn basisschool nu vertalen naar de drie psychologische basisbehoeften, dan kunnen we gevoeglijk aannemen dat meester Brakhuizen aandacht besteedde aan de vervulling daarvan en daarmee bijdroeg aan de ontwikkeling van onze morele ontwikkeling, ons geweten. Doordat hij mét ons het gesprek echt aanging, liet hij zien dat hij ons serieus nam. We voelden ons gezien en gehoord. Hij voedde de relatie tussen hem en ons en dat had effect op de onderlinge relatie tussen de leerlingen. Hij droeg bij aan competentieontwikkeling in het samen reguleren van het ons gedrag, inclusief het omgaan met afwijkingen. Tenslotte versterkte hij onze autonomie door ons keuzes te laten maken.

Meester Brakhuizen viel in na de herfstvakantie en volgde meester Pelser op. Het verschil kon niet groter zijn. In dat korte schooljaar is er veel met mij en onze klas gebeurd. We hadden een gehoorzame klas, maar dan wel toegewijd. Ik besef me dat ik hem daar nooit voor heb bedankt.

– –

N.B. Mocht je geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie. Laat het dan even weten.

Categorieën
Publicaties

De meeste mensen deugen of (toch) niet?

Over onze mensvisie die ons gedrag onbewust richting geeft

Direct na het verschijnen van ‘de meeste mensen deugen’ van Rutger Bregman stond ik vooraan bij de kassa in de boekenwinkel. Ik las hongerig zijn boek. Als iemand met een optimistische inslag heb ik die bevestiging in deze tijd extra nodig. Het boek gaf me inderdaad hoop. Maar naarmate het lezen langer achter mij ligt, moet ik meer mijn best doen om die hoop ook vast te houden. Die enorme lawine aan somber makende nieuwsberichten helpen niet. De crises slaan ons om de oren. Om er een paar te noemen: de morele,  de economische, de Corona en de ecologische crisis. Dat laat me niet onberoerd en velen met mij. Het negatieve nieuws wint het overweldigend van het positieve, zoals Rutger ook al onderbouwde. En zo word ik onwillekeurig toch ook bevestigd in de gedachte dat er weliswaar veel mensen zijn die deugen, maar toch ook wel erg veel die niet deugen. Of is dat geen juiste gedachte?

In deze blog wil ik ingaan op de impact van je mensvisie op je zijn, op je houding ten opzichte van anderen. Het heeft veel invloed op ons denken en doen. Wat zegt de Zelf-Determinatie-Theorie hierover en wat melden Vansteenkiste en Soenens in hun ‘Vitaminses voor groei’. En wat betekent dat voor je handelen op school?

De ZDT stelt dat we met een genetische basis geboren worden én met een fundamentele neiging tot groei. Er liggen vier theoretische assumpties aan de basis van de ZDT, die de moeite zijn om hier kort te noemen.

  1. We hebben als mensen een inherente tendens om proactief te zijn. We nemen initiatief en spelen in op de omgeving. We zijn dus niet passieve wezens die bepaald worden door de omgeving maar hebben er wel baat of last van in onze ontwikkeling. Ik geloof dat de meeste mensen dit herkennen.
  2. We hebben vervolgens de neiging om door die pro-activiteit te groeien. Die groei toont zich in onszelf doordat we steeds meer ontdekken wie we zijn, wat we vinden en willen en gaan daar ook naar handelen. ‘Je wordt wie je bent’ is een zin die op die manier begrepen kan worden. Die groei naar “geïntegreerd functioneren” toont zich ook in de omgang met anderen doordat we steeds beter weten hoe we betekenisvolle relaties kunnen opbouwen waar we meer en beter onze plek vinden.
  3. De vorige neiging is weliswaar ‘natuurlijk’, maar voltrekt zich niet automatisch. Door de vervulling dan wel de frustratie van de drie basisbehoeften competentie, autonomie en relatie kan deze ontwikkeling gevoed, dan wel gefrustreerd raken. De sociale omgeving is in deze cruciaal.
  4. Er is ook een donkere kant aan het menselijke functioneren. De ZDT erkent dat we de (genetisch) kwetsbaar zijn voor passief, agressief en hebzuchtig gedrag. Een behoefte-ondersteunende omgeving zal het beste uit ons halen en een behoeftefrustrerende omgeving zal eerder de donkere kanten naar boven halen.

Het gaat dus om een samenspel van genetische en omgevingsfactoren. Dat is weliswaar al een gedachte met een langere traditie, maar het prettige aanvullende vind ik dat er een concrete handreiking is om expliciet te onderzoeken wat je als mens kan doen om je eigen basisbehoeften en die van anderen te vervullen. De schrijvers halen (pp 108) een vooraanstaand evolutionair wetenschapper (De Waal, 2009) aan: “we are a group animals, highly cooperative, sensitive to injustice, sometimes warmongering but mostly peaceloving”. Dat zal ook Brugman aanspreken. De ZDT maakt voor mij helder dat we als mensen een inherent, biologisch verankerd potentieel hebben en de neiging om die te willen ontdekken. Een motiverende sociale omgeving kan daar een bijzonder positieve invloed op hebben. En – zoals we ‘geleerd’ hebben in de vorige blogs – dat kan door een context te creëren waarin de drie psychologische basisbehoeften vervuld kunnen worden (competentie, autonomie en relationele verbondenheid).  Ziehier de waarde voor jonge mensen, opvoeders, voor leraren, voor leidinggevende en de instituties waarin zij zich bewegen. Laat ik me even beperken tot het onderwijs aan adolescenten. Deze mensvisie van ZDT zou het fundamentele vertrekpunt moeten zijn voor alles wat wij doen – in het bijzonder leraren – bij de begeleiding van jonge mensen.  En uiteraard impliceert dit ook dat leidinggevenden vanuit dit vertrekpunt leiding geven aan hun leraren (let op: twee woorden). Dit heeft vergaande consequenties, die we dan ook onder ogen moeten zien. Daarover in volgende blogd.

Nog één voor mij betekenisvolle toevoeging. Mijn dochter Lune (21) heeft het echt moeilijk op school gehad en heeft wat zij zelf noemde ‘een hekel aan leren’ gekregen. Het heeft haar jaren gekost om weer een leerboek op te pakken, open te slaan en te lezen. Haar sensitiviteit voor de frustratie van de basisbehoeften is zo groot, dat alles wat maar lijkt op die ervaring een negatief reflex oproept. Andersom geldt hetzelfde: regelmatige positieve ervaringen in het verleden worden snel herkend in nieuwe situaties en versterken het bijpassende gevoel. Dat blijkt door diverse studies onderbouwd te zijn. Het is een uitnodiging aan ons onderwijs om vanuit dit bewustzijn te zorgen voor positieve ervaringen, die regelmatig bevestigd worden. Dan bouwen adolescenten meer weerstand op tegen de keren dat het tegenvalt.

Ergo: ZDT is geen theorie met een naïef geloof in de goedheid van de mens. Mensen hebben ook donkere kanten. Maar het is evident dat ieder mens in de kern een groot potentieel heeft dat – met goede begeleiding – meer kans heeft tot bloei te komen. Dat geeft niet alleen hoop, maar is ook een optimistisch vertrekpunt van waaruit we ons onderwijs kunnen aanbieden en inrichten. Rutger heeft (gelukkig) een punt.

– –

N.B. Mocht je geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie. Laat het dan even weten.

Categorieën
Publicaties

Dit is geen kinderachtige shit – Vitamines voor groei 2

Klinkt populair zo’n titel, maar deze woorden kwamen in mij op bij het lezen van het boek van Ryan & Deci (Self Determination Theory) en daarna nog een keer bij het lezen van ‘vitamines voor groei’ van Vansteenkiste en Soenens. Meer dan 40 jaar onderzoek in laboratoriumsituaties, in real life en dan ook nog eens over verschillende jaren en zelfs over decennia heen onderzocht. En alle uitkomsten wijzen terug naar de waarde van juist de drie psychologische basisbehoeften competentie, autonomie en relationele verbondenheid. Het bevredigen dan wel frustreren van deze behoeften in de opvoeding, in de begeleiding van jongeren en in andere situaties van onderlinge omgang, verklaren de mate van geluk, van kwaliteit van leven, de eigenwaarde en de prestaties van de betrokkenen. De mate waarin mensen intrinsiek gemotiveerd werken of leren, is terug te brengen tot de bevrediging van deze drie behoeften. Als iemand met een wetenschappelijke achtergrond ben ik altijd geneigd vraagtekens te zetten achter een theorie die universaliteit claimt. Maar in dit geval hebben we een gedachtegoed beet wat oerdegelijk onderbouwd is. Het heeft bij ertoe aangezet om er aan bij te dragen dat we dit gedachtegoed zo goed mogelijk gaan (leren) toepassen.

Hoewel de drie psychologische basisbehoeften steeds meer herkend worden op scholen waar ik kom, zijn de inzichten nog lang niet gemeengoed. Veel leraren kennen ze, maar het echt vertalen naar de praktijk is nog even wat anders. Hetzelfde geldt voor leidinggevenden, die hun leiderschap extra fundament kunnen geven voor allerlei kwesties die zich voordoen met medewerkers. Ik bestudeerde onlangs de boeken van mijn dochter voor haar training tot life coach. De Zelf Determinatie Theorie wordt niet behandeld, de basisbehoeften staan er niet in. En dat terwijl aan het onderwerp motivatie diverse hoofdstukken worden gewijd.  Onder andere deze observaties hebben mij gestimuleerd om hier meer aandacht aan te willen besteden.


Competentie verwijst naar een gevoel van effectiviteit, het gevoel een activiteit succesvol te kunnen uitvoeren. Je groeit als je merkt dat je steeds weer leert en creëert.

Autonomie verwijst naar de het ervaren van psychologische vrijheid en keuze bij het uitvoeren van een activiteit. Als deze behoefte vervuld is, dan hebben mensen het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn, dat ze de acteur zijn van hun eigen handelen, denken en voelen. Dit stimuleert groei

Relationele verbondenheid verwijst naar het ervaren van een warme en hechte band met anderen.  Als deze behoefte bevredigt wordt, stimuleert dat de groei.


Vansteenkiste en Soenens zijn zo ‘aardig’ in hun boek om ook gaten in de theorie te willen schieten. Zo stellen zij de vraag of de behoeften niet sterk afhankelijk zijn van persoonlijke, sociale, en biologische kenmerken van (bijvoorbeeld) kinderen. En is voor iedereen de mate waarin ze de behoeften belangrijk vinden niet heel verschillend?  En hoe zit het dan met landen met een collectieve cultuur? Daar is er toch minder sprake van die hang naar autonomie? Ter voorkoming van begripsverwarring, is het goed het begrip autonomie te duiden. We zijn geneigd het te associëren met onafhankelijkheid of zelfstandigheid. Fundamenteler is echter de constatering dat het begrip verwijst naar de vrije wil of vrije keuze bij het uitvoeren van een activiteit. En dat kan je een gevoel van onafhankelijkheid opleveren.  Zo gedefinieerd, blijkt het bevredigen van de behoefte aan autonomie waar ook te wereld, voor welke leeftijd dan ook, bij te dragen aan de genoemde voordelen. En datzelfde geldt voor competentie en relatie. De mate waarin mensen de behoeften waarderen is niet zo belangrijk; het gaat om de mate waarin ze bevredigd worden. Dus strikt genomen kun je aangeven dat het niet belangrijk vindt dat je zelf mag kiezen. Maar als je zelf kiest, word je er toch ‘beter’ van. Je kunt zeggen geen behoefte te hebben aan warme relaties, je welbevinden heeft er desondanks baat bij. Schommelingen in de mate van behoeftebevrediging hangen samen met schommelingen in je welbevinden. Bedenk dat eens als je een zware dag hebt gehad en je je afvraagt wat je zou kunnen doen om de volgende dag minder zwaar te laten zijn. Bedenk dat eens als je merkt dat kinderen in de klas lastig waren en wat je strategie is om het de volgende keer beter te laten verlopen; of je kind thuis aan de eettafel. Ik realiseer me nu extra goed waarom mijn moeder van 92 het steeds moeilijker vindt om dagelijks blij te zijn. Voor ieder van de drie behoeften geldt dat ze meer en meer gefrustreerd raken. Dus ik broed op manieren om ze desondanks meer te bevredigen. Ik heb bijvoorbeeld met de buurtzorg gesproken om het taalgebruik minder dwingend te laten zijn ondanks de haast die er is om mijn moeder binnen de gestelde tijd te verzorgen. Zij glimt meteen van blijdschap als dat beter gaat.

We staan nog maar aan het begin van de blogs, maar probeer het eens uit met je partner, je kinderen, je leerlingen, je medewerkers. Wat als je reflecteert op de mate waarin de drie basisbehoeften vervuld of gefrustreerd worden? Pas dat eens toe op wrijvingen bijvoorbeeld. Ik durf te wedden dat je een verband kan ontdekken.

Ondertussen bereid ik het schrijven van een volgende blog voor. Daarin vraag ik me met de schrijvers af welke mensvisie achter deze theorie zit en hoe zich die verhoudt tot andere benaderingen. Ik denk dat de vaak impliciete of onbewuste mensvisie die ieder van ons heeft ons gedrag als opvoeders/leraren/leidinggevenden stevig beïnvloedt.  Dan is het de moeite om op dát niveau jezelf een vraag te stellen als: “hoeveel vertrouwen heb ik eigenlijk in mensen, in anderen, in mezelf?”. Ik hoop dat je blij van het antwoord wordt en zo niet dat het je aanzet tot nadere reflectie.

– –

N.B. Mocht je geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie. Laat het dan even weten.

Categorieën
Publicaties

Maak kennis met Vitamines voor Groei

Waar een vakantie al goed voor is. Ik ben door 650 pagina’s geploegd van het boek ‘Vitamines voor groei; ontwikkeling voeden vanuit de Zelf-Determinatie Theorie’ (ZDT). Dit boek is (alweer) 5 jaar geleden geschreven door de Vlamingen Maarten Vansteenkiste en Bart Soenens. Wat een rijkdom aan onderbouwing, aan voorbeelden, aan tips! Ik heb ervan genoten. Dit wil ik graag met jullie, mijn netwerk op LinkedIn, delen. Het is een van de grootste uitdagingen om in ons onderwijs een verbinding te leggen met de motivatie van leerlingen. Dit boek geeft daar veel aanwijzingen voor. Vandaar dat ik met deze post een reeks blogs begin. Ik adviseer natuurlijk om het boek te lezen. Maar ik weet dat dit voor veel mensen een brug te ver is. Vandaar deze blogs, waarin jullie mijn persoonlijke bespiegelingen over de inhoud van dit boek aantreffen. Eerder heb ik dat gedaan voor mijn eigen boek Leiden met Lef en Lierfde.  Dat werkte goed. Voor ‘Vitamines voor groei ‘ doe ik dat, denk ik,  in 12 weken, ieder week één blog. Voor jullie kost het 5-10 minuten per week. Toch te doen lijkt me ?.

De verdieping kunnen we in ons bedrijf ook gebruiken om onze trainingen te verbeteren die allemaal gebaseerd zijn op de ZDT,  bedoeld voor leraren, team- en schoolleiders en die motivatie als hoofdthema hebben. 

In dit stukje neem ik jullie kort mee naar de bedoeling en de waarde van het boek. Vervolgens probeer ik wekelijks aan de hand van een of enkele hoofdstukken inzichten met jullie te delen; uiteraard met de bedoeling een vertaling te maken naar de onderwijspraktijk. Hun boek gaat vooral over de opvoedpraktijk in de relatie ouder-kind. Ik heb in verband met dit initiatief ook direct contact met de schrijver Maarten Vansteenkiste. Hij is bezig publicaties voor te bereiden voor toepassing op scholen. Daar zal ik nog niet uit putten.  Ik zal wel Deci & Ryan er bij betrekken, die ook schrijven over onderwijstoepassingen van hun theorie.

Waarom mogen we zo blij zijn met de lessen uit dit boek?

In de kern: omdat het eenvoudigweg superfijn is om een wetenschappelijk onderbouwd en geaccepteerd kader te hebben van waaruit we de opvoeding van kinderen praktisch ter hand kunnen nemen. De druk op kinderen is groot. In een leven met veel verleiding en oneindige keuzemogelijkheden hijgt er een systeem in hun nek dat tot op detailniveau wil weten of ze volgens de norm presteren. Tegelijkertijd zijn kinderen mondiger en grenzen onduidelijker. Maar ze missen nog vaak een intern kompas om goede keuzes te maken. Het is daarom oh-zo-belangrijk te weten hoe we hen het beste kunnen ondersteunen in de opvoeding en het onderwijs. De Zelf-Determinatie Theorie biedt dit kader en lijkt een beetje op het spreekwoordelijke geschenk dat uit de hemel is komen vallen. Dat beeld doet echter geen recht aan de meer dan 40 jaar empirisch onderzoek waarin de theorie is opgebouwd en intern coherent is gebleken. Het geschenk valt al lang uit de hemel alleen het is nog onvoldoende doorgedrongen tot de onderwijspraktijk. Het kader dat de ZDT biedt, heeft ook een duidelijke mensvisie die onderkent dat ieder mens die natuurlijke psychologische behoeften voor groei heeft[1]. Dat is een optimistische visie met onderbouwing en dat geeft hoop. De ZDT is ook nog eens heel goed toepasbaar, omdat hij aantrekkelijk eenvoudig is. We kunnen namelijk voor drie fundamentele basisbehoeften nagaan of die de groei van kinderen (en mensen in het algemeen) ondersteunen dan wel frustreren. En dan begrijpen we beter waarom kinderen zich wel of niet inzetten voor een activiteit op school en waarom ze dat soms wel doen ondanks dat ze er een hekel aan hebben. We kunnen voorspellen wanneer kinderen zich zullen afzetten en we weten wat we er aan kunnen doen om dat te verhelpen. We kunnen met andere woorden onze scholen verrijken met kennis en vaardigheden om de ZDT in de praktijk toe te passen en actief de natuurlijk exploratie en activiteitendrang van elk kind te ondersteunen en te stimuleren. We leren vitamines voor de groei toe te passen. Komt bij dat als we beter begrijpen hoe dat voor kinderen werkt, we ook beter in de spiegel kunnen kijken. Want al het geleerde geldt ook voor onszelf. Dat zijn nogal wat beloften.

Uiteraard is de praktijk soms weerbarstiger dan we zouden willen. Maar het mooie van dit boek is (en de belofte van deze blogreeks), dat het ook praktisch wordt, toepasbaar. Echt simpel zal het natuurlijk nooit worden, maar dat is het vrijwel nooit met mensen. Gelukkig maar….

Lees volgende week de tweede blog met de titel: “dit is geen kinderachtige shit”. Ik ga dan dieper in op de onderbouwing.


[1] Autonomie, competentie en relationele verbondenheid