De meeste mensen deugen of (toch) niet?

Over onze mensvisie die ons gedrag onbewust richting geeft

Direct na het verschijnen van ‘de meeste mensen deugen’ van Rutger Bregman stond ik vooraan bij de kassa in de boekenwinkel. Ik las hongerig zijn boek. Als iemand met een optimistische inslag heb ik die bevestiging in deze tijd extra nodig. Het boek gaf me inderdaad hoop. Maar naarmate het lezen langer achter mij ligt, moet ik meer mijn best doen om die hoop ook vast te houden. Die enorme lawine aan somber makende nieuwsberichten helpen niet. De crises slaan ons om de oren. Om er een paar te noemen: de morele,  de economische, de Corona en de ecologische crisis. Dat laat me niet onberoerd en velen met mij. Het negatieve nieuws wint het overweldigend van het positieve, zoals Rutger ook al onderbouwde. En zo word ik onwillekeurig toch ook bevestigd in de gedachte dat er weliswaar veel mensen zijn die deugen, maar toch ook wel erg veel die niet deugen. Of is dat geen juiste gedachte?

In deze blog wil ik ingaan op de impact van je mensvisie op je zijn, op je houding ten opzichte van anderen. Het heeft veel invloed op ons denken en doen. Wat zegt de Zelf-Determinatie-Theorie hierover en wat melden Vansteenkiste en Soenens in hun ‘Vitaminses voor groei’. En wat betekent dat voor je handelen op school?

De ZDT stelt dat we met een genetische basis geboren worden én met een fundamentele neiging tot groei. Er liggen vier theoretische assumpties aan de basis van de ZDT, die de moeite zijn om hier kort te noemen.

  1. We hebben als mensen een inherente tendens om proactief te zijn. We nemen initiatief en spelen in op de omgeving. We zijn dus niet passieve wezens die bepaald worden door de omgeving maar hebben er wel baat of last van in onze ontwikkeling. Ik geloof dat de meeste mensen dit herkennen.
  2. We hebben vervolgens de neiging om door die pro-activiteit te groeien. Die groei toont zich in onszelf doordat we steeds meer ontdekken wie we zijn, wat we vinden en willen en gaan daar ook naar handelen. ‘Je wordt wie je bent’ is een zin die op die manier begrepen kan worden. Die groei naar “geïntegreerd functioneren” toont zich ook in de omgang met anderen doordat we steeds beter weten hoe we betekenisvolle relaties kunnen opbouwen waar we meer en beter onze plek vinden.
  3. De vorige neiging is weliswaar ‘natuurlijk’, maar voltrekt zich niet automatisch. Door de vervulling dan wel de frustratie van de drie basisbehoeften competentie, autonomie en relatie kan deze ontwikkeling gevoed, dan wel gefrustreerd raken. De sociale omgeving is in deze cruciaal.
  4. Er is ook een donkere kant aan het menselijke functioneren. De ZDT erkent dat we de (genetisch) kwetsbaar zijn voor passief, agressief en hebzuchtig gedrag. Een behoefte-ondersteunende omgeving zal het beste uit ons halen en een behoeftefrustrerende omgeving zal eerder de donkere kanten naar boven halen.

Het gaat dus om een samenspel van genetische en omgevingsfactoren. Dat is weliswaar al een gedachte met een langere traditie, maar het prettige aanvullende vind ik dat er een concrete handreiking is om expliciet te onderzoeken wat je als mens kan doen om je eigen basisbehoeften en die van anderen te vervullen. De schrijvers halen (pp 108) een vooraanstaand evolutionair wetenschapper (De Waal, 2009) aan: “we are a group animals, highly cooperative, sensitive to injustice, sometimes warmongering but mostly peaceloving”. Dat zal ook Brugman aanspreken. De ZDT maakt voor mij helder dat we als mensen een inherent, biologisch verankerd potentieel hebben en de neiging om die te willen ontdekken. Een motiverende sociale omgeving kan daar een bijzonder positieve invloed op hebben. En – zoals we ‘geleerd’ hebben in de vorige blogs – dat kan door een context te creëren waarin de drie psychologische basisbehoeften vervuld kunnen worden (competentie, autonomie en relationele verbondenheid).  Ziehier de waarde voor jonge mensen, opvoeders, voor leraren, voor leidinggevende en de instituties waarin zij zich bewegen. Laat ik me even beperken tot het onderwijs aan adolescenten. Deze mensvisie van ZDT zou het fundamentele vertrekpunt moeten zijn voor alles wat wij doen – in het bijzonder leraren – bij de begeleiding van jonge mensen.  En uiteraard impliceert dit ook dat leidinggevenden vanuit dit vertrekpunt leiding geven aan hun leraren (let op: twee woorden). Dit heeft vergaande consequenties, die we dan ook onder ogen moeten zien. Daarover in volgende blogd.

Nog één voor mij betekenisvolle toevoeging. Mijn dochter Lune (21) heeft het echt moeilijk op school gehad en heeft wat zij zelf noemde ‘een hekel aan leren’ gekregen. Het heeft haar jaren gekost om weer een leerboek op te pakken, open te slaan en te lezen. Haar sensitiviteit voor de frustratie van de basisbehoeften is zo groot, dat alles wat maar lijkt op die ervaring een negatief reflex oproept. Andersom geldt hetzelfde: regelmatige positieve ervaringen in het verleden worden snel herkend in nieuwe situaties en versterken het bijpassende gevoel. Dat blijkt door diverse studies onderbouwd te zijn. Het is een uitnodiging aan ons onderwijs om vanuit dit bewustzijn te zorgen voor positieve ervaringen, die regelmatig bevestigd worden. Dan bouwen adolescenten meer weerstand op tegen de keren dat het tegenvalt.

Ergo: ZDT is geen theorie met een naïef geloof in de goedheid van de mens. Mensen hebben ook donkere kanten. Maar het is evident dat ieder mens in de kern een groot potentieel heeft dat - met goede begeleiding - meer kans heeft tot bloei te komen. Dat geeft niet alleen hoop, maar is ook een optimistisch vertrekpunt van waaruit we ons onderwijs kunnen aanbieden en inrichten. Rutger heeft (gelukkig) een punt.

- -

N.B. Mocht je geïnteresseerd in trainingen voor toepassingen in het onderwijs gebaseerd op deze theorie. Laat het dan even weten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *